Darmflora

Van meer dan duizend kinderen in het KOALA-onderzoek werd ontlasting verzameld toen ze één maand oud waren. Het doel was om te onderzoeken of de samenstelling van de verschillende bacteriesoorten in de darmen (darmflora) van invloed is op het krijgen van allergische aandoeningen. We ontdekten dat kinderen bij wie de bacteriën Escherichia coli en Clostridium difficile in de darmflora aanwezig zijn een hogere kans hebben op allergie.

Pasgeborenen krijgen hun darmflora doordat ze bacteriën uit hun omgeving oppikken, vooral afkomstig van de moeder. Bij ziekenhuisgeboorte en keizersnede komen daar ook ziekenhuisbacteriën bij. Kinderen die in het ziekenhuis worden geboren dragen vaker de darmbacterie Clostridium difficile bij zich. We vonden dat kinderen die in het ziekenhuis zijn geboren een hogere kans op eczeem en astma hadden dan thuisgeborenen, maar alleen bij kinderen met een genetisch verhoogd risico. Dit verschil werd echter verklaard door de darmbacterie Clostridium difficile. Het zoeken naar andere bacteriën of andere factoren in de darmflora gaat nog voort.

Om verder steun te vinden voor oorzakelijke effecten van darmbacteriën, zijn we begonnen te kijken naar verschillen in genetische vatbaarheid. Zo vonden we dat de aanwezigheid van de darmbacterie E. coli een lagere kans gaf op allergische sensibilisatie bij een veelvoorkomende variant in een gen voor de aangeboren afweer (Toll-like receptor 4), terwijl bij kinderen zonder deze variant de aanwezigheid van E. coli geen verschil maakt.

Deze bevindingen ondersteunen de hypothese dat beïnvloeding van de darmflora-samenstelling, bijvoorbeeld door toediening van gunstige bacteriën (probiotica), een mogelijkheid bieden om allergieën te voorkomen of te behandelen. Maar voordat het zover is, moet meer onderzoek worden gedaan naar het precieze werkingsmechanisme van de darmflora, welke gunstige bacteriën hiervoor gebruikt kunnen worden, en hoe het samenspel is tussen bacteriën en vatbaarheid van de mens.

Vorige pagina