Kinderpagina

 


Resultaten tot nu toe

Allergie en astma

Groei en ontwikkeling

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

▲ naar boven

Hoe vaak komen atopische aandoeningen voor?

In de eerste twee levensjaren rapporteerden de ouders eczeem bij 31% van de kinderen. Bij 10% van de kinderen rapporteerden zij wheezeklachten (meer dan 4 episoden van piepen op de borst). Bij huisbezoek op 2-jarige leeftijd werd atopisch eczeem vastgesteld bij 13% van de kinderen. Rond de leeftijd van 6-7 jaar blijkt dat er toch nog steeds zo’n 13% last heeft van eczeem. Op deze leeftijd beginnen echter steeds vaker andere allergische klachten op de voorgrond te treden, zoals klachten die horen bij astma of hooikoorts. Ouders rapporteren astma-achtige klachten bij 7-8% van de de kinderen. Driekwart van hen krijgt geneesmiddelen tegen astma, wat aantoont dat dit reële klachten zijn waarvoor de huisarts of specialist is bezocht.

In het KOALA onderzoek werd op 2-jarige leeftijd bloed afgenomen voor testen op allergie. Allergische sensibilisatie (overgevoeligheid) werd vastgesteld bij 28% van de kinderen (specifiek IgE>0.30 IE/ml tegen koemelk, kippenei, pinda, berkenpollen, graspollen, huisstofmijt, hond en/of kat). Lang niet  al deze kinderen hebben klachten van overgevoeligheid.
Deze percentages komen goed overeen met die van andere onderzoeken in Nederland en andere geïndustrialiseerde landen. Uit een vergelijking met eerdere onderzoeken in Nederland vanaf begin jaren ‘90 blijkt overgevoeligheid op het eerste levensjaar niet te zijn toegenomen.

.

▲ naar boven

Borstvoeding

Het KOALA-onderzoek toonde dat borstvoeding een zwakke bescherming bood tegen eczeem en een sterke bescherming tegen wheezeklachten. Er was geen effect op allergische sensibilisatie. Anders dan verwacht ging late introductie van melk en bijvoeding niet gepaard met minder eczeem en allergie, eerder méér. De resultaten suggereren dat beginnen met bijvoeden tijdens de borstvoedingsperiode het kind helpt bij het wennen van aan nieuwe voedingsmiddelen, en daarmee tegengaat dat voedselallergie ontstaat.
De samenstelling van de moedermelk werd bekeken van ruim 300 moeders die een beetje moedermelk afstonden voor onderzoek. Daarin werden de gehaltes bepaald van bepaalde immuunstoffen en van vetzuren. Het gehalte van oplosbare CD14 (sCD14) in moedermelk verschilde enigszins tussen moeders met en zonder atopische aanleg. We vonden hiervoor echter geen genetische basis, en de bescherming van borstvoeding voor atopie bij het kind was onafhankelijk van sCD14 of andere immuunfactoren (TGF-beta-1, IL-12). Vetzuren bleken een grotere invloed te hebben op de kans op eczeem en allergische gevoeligheid. Er lijkt dus vooral gezondheidswinst te behalen door het verbeteren van de essentiële vetzuurstatus van alle zwangeren en zogende moeders. We vonden dat de vetzuurstatus zowel afhangt van de genetische constitutie van de moeder (variaties in de FADS genen), als van de voeding (met name de inname van vis en zuivel). Borstvoeding had een duidelijk gunstige invloed op de samenstelling van de darmflora, waaronder minder kolonisatie met de E coli bacil en Clostridium difficile, een bacterie die vooral veel voorkomt bij kinderen die in het ziekenhuis zijn geboren. We vonden dat antibioticagebruik door het kind, maar ook door de moeder tijdens de borstvoeding, gepaard ging met een hoger risico op wheezeklachten bij het kind. Deze resultaten werpen nieuw licht op de plaats van darmflora bij de bescherming van borstvoeding tegen atopische aandoeningen. Borstvoeding beschermde ook tegen infectie met rotavirus (een belangrijke verwekker van diarree bij zuigelingen). 

▲ naar boven

Leefstijl en voeding

Het KOALA-onderzoek omvat een redelijke grote groep van deelnemers met  antroposofische en/of alternatieve leefstijlen. Deze groep is speciaal in het onderzoek opgenomen om factoren te kunnen onderzoeken waarvan vermoed werd dat ze beschermen tegen allergie, zoals het uitstellen van kindervaccinaties, spaarzaam gebruik van antibiotica, gebruik van biologische of biologisch-dynamische voeding, en het langdurig geven van borstvoeding. We vonden géén aanwijzingen dat het vermijden van kindervaccinaties in de eerste 6 levensmaanden leidt tot minder eczeem of allergie. Antibioticagebruik ging gepaard met een hogere kans op wheezeklachten, maar voor eczeem en allergie was er geen verschil. In een systematische samenvatting van alle onderzoeken die in de wetenschappelijke literatuur zijn verschenen over antibioticagebruik en astma, concludeerden we dat het verband tussen de twee niet heel sterk is, en dat niet kan worden uitgesloten dat vatbaarheid voor infecties de onderliggende oorzaak is van dit verband.
Het gebruik van zuivelproducten van biologische herkomst ging gepaard met een lagere kans op eczeem bij het kind. Dit gold zowel voor het gebruik van zuivel door de moeder tijdens de zwangerschap als voor gebruik door het kind zelf. Voor andere voedselproducten vonden we geen verschil tussen biologische en gangbare herkomst en atopische uitkomsten bij het kind.
De vetzuursamenstelling van de moedermelk bleek te verschillen tussen moeders die biologische zuivel gebruikten (hogere gehaltes aan rumenzuur en vacceenzuur) in vergelijking met gangbare zuivel. Deze vetzuren zijn vooral afkomstig van herkauwers (koeien, geiten, schapen). In de pens (rumen, voormaag) van deze dieren worden deze vetzuren geproduceerd. door bacteriën. Vnadaar dat deze vetzuren ook worden aangeduid als herkauwersvetzuren. Door het drinken van melk en het eten van melkproducten of vlees van herkauwers komen deze vetzuren in de moedermelk terecht en worden ze doorgegeven aan het kind. We vonden dat een hoger aandeel van deze vetzuren in de moedermelk gepaard gaat met een lager risico op eczeem en allergie bij de zuigeling. ook konden we eerder onderzoek bevestigen waaruit was gebleken dat visvetzuren (omega-3 langeketen vetzuren) in moedermelk beschermen tegen eczeem en allergie bij het kind.

▲ naar boven

Darmflora

Van meer dan duizend kinderen in het KOALA-onderzoek werd ontlasting verzameld toen ze één maand oud waren. Het doel was om te onderzoeken of de samenstelling van de verschillende bacteriesoorten in de darmen (darmflora) van invloed is op het krijgen van allergische aandoeningen. We ontdekten dat kinderen bij wie de bacteriën Escherichia coli en Clostridium difficile in de darmflora aanwezig zijn een hogere kans hebben op allergie.
Pasgeborenen krijgen hun darmflora doordat ze bacteriën uit hun omgeving oppikken, vooral afkomstig van de moeder. Bij ziekenhuisgeboorte en keizersnede komen daar ook ziekenhuisbacteriën bij. Kinderen die in het ziekenhuis worden geboren dragen vaker de darmbacterie Clostridium difficile bij zich. We vonden dat kinderen die in het ziekenhuis zijn geboren een hogere kans op eczeem en astma hadden dan thuisgeborenen, maar alleen bij kinderen met een genetisch verhoogd risico. Dit verschil werd echter verklaard door de darmbacterie Clostridium difficile. Het zoeken naar andere bacteriën of andere factoren in de darmflora gaat nog voort.
Om verder steun te vinden voor oorzakelijke effecten van darmbacteriën, zijn we begonnen te kijken naar verschillen in genetische vatbaarheid. Zo vonden we dat de aanwezigheid van de darmbacterie E. coli een lagere kans gaf op allergische sensibilisatie bij een veelvoorkomende variant in een gen voor de aangeboren afweer (Toll-like receptor 4), terwijl bij kinderen zonder deze variant de aanwezigheid van E. coli geen verschil maakt.
Deze bevindingen ondersteunen de hypothese dat beïnvloeding van de darmflora-samenstelling, bijvoorbeeld door toediening van gunstige bacteriën (probiotica), een mogelijkheid bieden om allergieën te voorkomen of te behandelen. Maar voordat het zover is, moet meer onderzoek worden gedaan naar het precieze werkingsmechanisme van de darmflora, welke gunstige bacteriën hiervoor gebruikt kunnen worden, en hoe het samenspel is tussen bacteriën en vatbaarheid van de mens.

▲ naar boven

Infecties

Kinderen die in het eerste jaar een infectie hadden doorgemaakt (verkoudheid, koorts) of antibiotica hadden gekregen, hadden vaker wheezeklachten (piepen op de borst) in de opeenvolgende maanden en tot in het tweede levensjaar. Wheezeklachten kwamen ook vaker voor na diarree met koorts, en na infectie door een veelvoorkomende verwekker daarvan, het rotavirus (gemeten aan de hand van antistoffen in het bloed). Er waren geen aanwijzingen voor beschermende effecten van infecties op het optreden van eczeem of allergie. Maagdarminfecties door de meest voorkomende virussen beschermen dus kennelijk niet tegen de ontwikkeling van allergie.
Een belangrijke ontdekking in het KOALA onderzoek was de rol van darmflora en virale darminfecties bij wheezeklachten (piepen op de borst) in de eerste levensjaren. We hebben dit nader bekeken aan de hand van antistoffen tegen de belangrijkste verwekkers van maagdarm-infecties: rota-virus en noro-virussen. Rotavirus bleek het risico op wheezeklachten te verhogen, terwijl een bepaald type norovirus het risico juist verlaagt. Of dit een direct effect van deze virussen is, of duidt op onderliggende vatbaarheid van het kind moet nog worden uitgezocht.

▲ naar boven

Genetische variatie

Genetische variatie tussen mensen en tussen ziekteverwekkers zoals bacteriën en virussen speelt een rol bij de overlevingskansen van beiden. Daarom is er vooral veel genetische variatie te verwachten in genen die te maken hebben met het immuunsysteem. Dit konden we aantonen voor genen in de aangeboren afweer (innate immunity) en de antistofvorming tegen kinkhoestvaccinatie (onderdeel van de kindervaccinaties). Deze genen zijn ook van invloed op de reactie van het immuunsysteem op de darmflora (zie bij Darmflora). En ook de effecten van risicofactoren voor allergie en astma worden mogelijk door de variaties in deze genen beïnvloed. Dit wordt onderzocht in samenwerking met twee andere Nederlandse cohortonderzoeken. Het gaat om vele genen met ieder een kleine bijdrage aan het risico op ziekte. Veel van deze genen hebben te maken met de aangeboren afweer. Alle resultaten tot nu toe wijzen op licht verhoogde of verlaagde risico’s, die alleen effect hebben in combinatie met andere risicofactoren, zoals roken, huisdieren, het type zuigelingenvoeding, en de samenstelling van de darmflora.



Groei en ontwikkeling

▲ naar boven

Borstvoeding, opvoeding en gewoontevorming

De invloed van borst- of flesvoeding op overgewicht bij kinderen staat volop in de wetenschappelijke belangstelling. Sommige buitenlandse kinderartsen zijn bang dat borstvoeding “op verzoek” leidt tot overgewicht, omdat de baby dan teveel zou drinken, al vroeg verwend zou raken en later teveel zou gaan snoepen (voeding “op verzoek” is voeding steeds als de baby er zelf om vraagt, dit in tegenstelling tot voeding volgens een vast schema). De resultaten van het KOALA-onderzoek weerspreken dit. We vonden een iets lagere gewichtstoename in het eerste jaar bij borstgevoede kinderen ten opzichte van flesgevoede kinderen. Bovendien snoepten deze kinderen minder op 2-jarige leeftijd, ook als ze borstvoeding “op verzoek” hadden gekregen. Dit ondersteunt het idee dat borstvoeding belangrijk is voor de smaakontwikkeling en de zelfregulering van energie-inname door kinderen. Op de leeftijd van 2 jaar waren er al duidelijke verschillen in opvoedingspraktijken van de ouders te zien. Sommige ouders leggen meer beperkingen op aan wat het kind mag eten. Een opvoedingsstijl waarbij het kind beperkingen krijgt opgelegd, leidt, zoals verwacht, tot gezondere eetgewoonten bij het kind, maar heeft minder invloed bij kinderen die neigen tot gedrag dat duidt op depressiviteit, angst, en overactiviteit. Verder blijkt voeding van 2-jarige kinderen samen te hangen met beweging, waarbij minder gezonde eetgewoonten vaak samengaan met inactief gedrag, zoals televisie kijken, door de peuter.

▲ naar boven

Lichaamsbeweging

Veel onderzoek naar lichaamsbeweging wordt gebaseerd op vragenlijsten. Als aanvulling hierop deden we in het KOALA-onderzoek beweegmetingen bij ruim 300 kinderen van 4 tot 5 jaar oud. Deze kinderen droegen gedurende vijf dagen een beweegmeter (Actigraph versnellingsmeter). Uit de resultaten blijkt dat 4-5 jarige kinderen een groot gedeelte van de dag (85%) zittend doorbrengen, of in ieder geval weinig actief zijn in de tijd dat ze wakker zijn. Elf procent van de tijd werden licht inspannende activiteiten uitgevoerd en slechts 4% van de tijd matige tot inspannende activiteiten. Tweeëntwintig procent van de kinderen haalde de Nederlandse beweegnorm (minstens één uur per dag matig intensief bewegen). Jongens bewogen iets meer dan meisjes. De resultaten komen overeen met studies in het buitenland.

▲ naar boven

Astmaklachten, lichaamsbeweging en overgewicht

Astma en overgewicht komen steeds meer voor, en er zijn aanwijzingen dat kinderen met overgewicht meer risico lopen astma te krijgen en andersom. In het KOALA-onderzoek bekeken we of astma-achtige klachten (wheeze, piepen op de borst) leiden tot minder lichaamsbeweging (gemeten met een beweegmeter) op de kleuterleeftijd (4-5 jaar), en daarmee tot overgewicht. Recente klachten hadden geen invloed op de mate van lichaamsbeweging. Jongens die als peuter vaak wheezeklachten hadden gehad, hadden zelfs meer lichamelijke activiteit als kleuter, vermoedelijk omdat ze meer werden gestimuleerd om voldoende te bewegen. Er werd geen verband gevonden tussen wheezeklachten en overgewicht op peuterleeftijd. Ook was de hoeveelheid lichamelijke activiteit niet verschillend tussen kinderen met overgewicht en een normaal gewicht. Vervolgonderzoek zal moeten uitwijzen wat de bijdrage is van bewegingsarmoede bij kinderen op het ontstaan van overgewicht en vetzucht op latere leeftijd.